Wie, wat, waar en hoe?
Medewerkers van Amsterdam UMC:
‘Beroepsgerelateerde besmettingsaccidenten niet-AUMC-medewerkers’: zoals ambulancedienst, maar ook politie, thuiszorg, AvL/ NKI, ACTA etc.
Initiële opvang: Primair via eigen coördinator prikaccidenten (of eigen arbodienst). Wanneer er een indicatie is voor een aanvullende medische interventie, dan kan via de coördinator prikaccidenten of arts-microbioloog van bijvoorbeeld Prikpunt contact worden opgenomen met (of verwezen worden naar) de AIOS interne op SEH van locatie AMC. Op SEH wordt op indicatie ook spijtserum van medewerker afgenomen.
Bronbepaling: Bovenstaande partijen stemmen met elkaar af of bronbepaling is geïndiceerd en mogelijk is. Dan handelen naar bevinden en volgens protocol.
Vervolg na SEH bezoek: Verwonde neemt op eerstvolgende werkdag contact op met de eigen arbodienst. Geef de SEH-brief ter overdracht mee aan de verwonde. Indien eigen arbodienst de nacontroles niet kan verzorgen, kan de verwonde verwezen worden naar de polikliniek infectieziekten voor verdere behandeling en nacontrole. De financiële afhandeling van eventuele gemaakte zorgkosten lopen volgens de reguliere zorg; het is aan de eigen arbodienst/ werkgever om deze kosten al dan niet te vergoeden.
Voor accidenten met medewerkers van Sanquin en Stichting AAP (locatie AMC):
Doel
Onderstaande procedure bij prikaccidenten is aangepast aan de in april 2019 gepubliceerde landelijke richtlijn en is leidend in het Amsterdam UMC. Voor meer gedetailleerde informatie en uitleg kunt u de LCI-landelijke richtlijn prikaccidenten https://lci.rivm.nl/sites/default/files/2020-02/Landelijke%20Richtlijn%20Prikaccidenten%202019.pdf raadplegen. De procedure beschrijft het post-expositiebeleid na prik-, bijt-, snij – en spataccidenten met bloed en andere lichaamsvloeistoffen. In het vervolg van onderstaande procedure worden prik-, bijt-, snij- en spataccidenten samengevat als prikaccidenten.
Achtergrondinformatie:
Bij een prik- of snijaccident komt bloed (of een andere lichaamsvloeistof) van de ene persoon (de bron) via een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een injectienaald of scalpel, in het lichaam van een ander persoon (de blootgestelde). Bij een spataccident betreft het bloed (of een andere lichaamsvloeistof) dat op slijmvliezen of nietintacte huid terechtkomt. Bij een bijtaccident komt bloed van de gebetene (de blootgestelde) op mondslijmvlies van de bijter (de bron) of speeksel (al dan niet vermengd met bloed van de bijter) in de open bijtwond van de bron. Via prik-, bijt-, snij- en spataccidenten kunnen hepatitis B-virus (HBV), hepatitis C-virus (HCV) en humaan immunodeficiëntievirus (hiv) worden overgedragen.
Of een prikaccident tot infectie van het blootgestelde leidt is afhankelijk van:
Aan de hand van deze richtlijn kan op gestructureerde wijze een inschatting gemaakt worden van het risico op infectie met HBV, HCV en hiv ten gevolge van het accident. Afhankelijk van het risico en het tijdsinterval tussen het accident en de consultatie worden al dan niet maatregelen geadviseerd om de blootgestelde tegen infectie te beschermen (postexpositieprofylaxe) of een eventueel opgetreden infectie in een vroeg stadium te onderkennen.
Momenteel is er nog geen advies mogelijk.